Daaraan ontleent het Drentse provinciewapen zijn Madonna-figuur. In 1217 was er voor het eerst sprake van een decanus de Trente. Het decanatus viel samen met het comitatus of graafschap. De deken van Drenthe had de leiding van de geestelijke of synodale rechtspraak. Daaronder vielen alle zaken waarbij geestelijken betrokken waren alsmede huwelijk, erfrecht, zaken waarbij weduwen en wezen waren betrokken, geweldplegingen in en bij de kerken, het onderhoud van kerkelijke gebouwen, kerkhoven en kerkenpaden en het tiendrecht. In 1332 was in een seendbrief een en ander vastgelegd, wat in 1450 door bisschop Rudolf van Diepholt officieel werd bekrachtigd. De deken van Drenthe moest een Drent zijn, geboren uit een Drentse vader en moeder en moest steeds 'personaliter' in Drenthe wonen.
