logo Geheugen van Drenthe

Encyclopedie Drenthe

Drenthe, geschiedenis 1940-2000

 De periode 1940-2000

De Tweede Wereldoorlog was voor Drenthe vooral een periode van stilstand. Oplossingen voor vooroorlogse problemen bleven uit en geleidelijk aan kwam het leven steeds meer in het teken van de bezetting te staan. Vergeleken met de rest van Nederland of Europa had de provincie echter niet erg te lijden. Afgezien van het Kamp Westerbork hernam het leven na de inval grotendeels zijn normale loop. Vanaf mei 1943 veranderde dat; de laatste twee oorlogsjaren kwamen steeds meer in het teken van plundering en terreur - van de kant van de bezetter en verzet van de bevolking. In april 1945 werd de provincie door Canadese en Poolse troepen bevrijd in een beweging van zuid naar noord.

Na de bevrijding in 1945 werd Drenthe al spoedig weer geconfronteerd met de structurele proble-men van voor de oorlog. Het meest nijpende was de crisis in de turfwinning die al na WO I structureel van aard was gebleken en slechts door het brandstofgebrek tijdens WO II tijdelijk verdoezeld was. Ook voor het overige was de uitgangssituatie van Drenthe in 1945 economisch gezien niet erg rooskleurig. De Drentse landbouw, toen nog de belangrijkste sector, werd gekenmerkt door een groot aantal kleine gemengde bedrijven waarin een vrij forse sanering te verwachten viel met een daaraan gepaarde uitstoot van arbeidskrachten. Er was een zeer weinig ontwikkelde industriële sector. Er was wat landbouwindustrie in de vorm van melkfabrieken en enkele exportslachterijen; een paar aardappel-meelfabrieken, een strokartonfabriek en een conservenfabriek, maar daarbuiten waren niet veel industrievestigingen in de provincie te vinden. Meppel had de farmaceutisch industrie van Brocades en in Zuidoost-Drenthe was enige veen-verwerkende industrie, zoals Purit en de turfstrooiselfabrieken.

In 1946 telde Drenthe niet meer dan 173 industriële bedrijven met meer dan 10 werknemers en een totaal personeelsbestand van nog geen 6.000 personen. De infrastructuur was gebrekkig. De infrastructurele ontwikkeling had altijd in het teken gestaan van de turfwinning. De provincie was dan ook in de loop van vier eeuwen doorsneden geraakt door een uitgebreid stelsel van hoofdwaterwegen en, in de voormalige veengebieden zelf, van een fijnmazig net van kanaaltjes, wijken, sloten en greppels. Voor de verveningen was dit waterwegenstelsel een bestaansvoorwaarde geweest, maar sinds die grotendeels verleden tijd was geworden werden al die watertjes in toenemende mate een geweldig blok aan het been vooral vanwege de enorme hoeveelheid bruggen en vonders die het stelsel met zich mee bracht en die voor het gemotoriseerde wegvervoer ten enen male ongeschikt waren. Alleen de landbouw ondervond nog enigermate voordeel van die natte infrastructuur omdat de oogst makkelijk per schip naar de fabriek gebracht kon worden.

Naast de ontoereikende wegenstructuur was er groot gebrek aan geschikte bedrijfsterreinen. De scholingsgraad was in Drenthe relatief laag omdat er betrekkelijk weinig geschoold werk was en omdat de provincie niet beschikte over voortgezette opleidingen na de middelbare school. Wie verder wilde leren, moest de provincie verlaten en als hij elders was opgeleid, kon hij moeilijk een baan op zijn niveau vinden in de geboorteprovincie. Ten slotte was er weinig investeringskapitaal in de provincie aanwezig. Eén pluspunt had Drenthe wel, en dat was veel en goedkope arbeidskracht en een mentale instelling die gewend was aan veel hard werken tegen een karig loon. Het was alle betrokkenen duidelijk wat er in het naoorlogse Drenthe moest gebeuren: er moest werk geschapen worden door het aantrekken van nieuwe industrieën. Daarom was het noodzakelijk de infrastructuur ingrijpend te verbeteren.

De periode van 1946 tot aan het eind van de jaren '60 kan beschouwd worden als de periode van voorspoed en expansie. Over het geheel genomen lukte het beleid en werden vele doelen bereikt. Er was een grote mate van consensus tussen alle betrokken partijen over de af te leggen weg. Goede wil alleen was echter niet voldoende, er moest ook geld bij. Dat kwam in de eerste plaats in de vorm van Marshallhulp, die het mogelijk maakte om de infrastructuur te verbeteren en industrieterreinen aan te leggen. Nog belangrijker echter was het regionaal economisch beleid dat door het Rijk in 1950 werd afgekondigd. Het regionaal economisch beleid had tot doel de regio aantrekkelijker te maken voor industrievestiging. Zuidoost-Drenthe liep daarbij voorop en was proeftuin en paradepaardje tegelijkertijd. Het ging niet alleen om de komst van bedrijven, maar ook om het verbeteren van het sociale vestigingskli-maat en het industrierijp maken van de bevolking door middel van vakscholing, maatschappelijk werk en mobiliteitsbevordering. Essentieel in de industriële ontwikkeling in Zuidoost-Drenthe was de komst van AKU naar Emmen in 1951, niet alleen omdat het veruit de grootste werkgever was, maar ook omdat het bedrijf veel energie stak in de al genoemde verbetering van het vestigingsklimaat. Daarom ook verlangde het bedrijf dat er voorzieningen gecreëerd zouden worden zoals sportterreinen, een zwembad, een theater (De Muzeval) en - hoog op het verlanglijstje - een HEMA. Na AKU volgden veel meer bedrijfsvestigingen in Emmen, zoals Danlon in 1953, Honeywell in 1964 en Draka in 1970. Het was niet alleen Emmen dat industrialiseerde, ook met name Hoogeveen en Meppel bliezen hun partijtje mee, vooral sinds zij in 1959 aangewezen werden als industrialisatiekern. De jaren 1959-1962 waren voor Drenthe de gouden industriejaren. Zo werden in 1960 24 nieuwe bedrijven in gebruik gesteld, 21 in aanbouw genomen en 9 bestaande belangrijk uitgebreid. Commissaris der Koningin J. Cramer, in 1951 aangetreden, kon in 1964 dan ook onder juichstemming afscheid nemen. Er was bijna volledige werk-gelegenheid bereikt en het ging goed met Drenthe.

In de jaren '60 daalde het tempo van de productiegroei in de industrie. Bovendien nam in alle sectoren de arbeidsproductiviteit sterk toe en werd arbeid vervangen door kapitaal. Hierdoor begon de werkgelegenheid in de industrie af te nemen. Tot 1971 ging het het Drentse bedrijfsleven relatief goed, beter althans dan in de provincie Groningen waar de traditionele en deels verouderde bedrijven al in de jaren '60 steeds meer in de problemen kwamen. Dit kwam ook tot uiting in de welvaartsont-wikkeling in Drenthe: het bruto inkomen per belastingplichtige, dat in 1955 nog verreweg het laagste van heel Nederland was, stevende in 1969 Friesland voorbij, in 1972 Groningen en in 1974 Overijssel. Met die gunstige ontwikkeling verlegde de aandacht van de overheid zich ook enigszins van industriële groei naar allerlei andere, deels immateriële, aspecten van het leven, zoals democratisering, welzijn, cultuur, natuurbescherming en milieu. Zo werd in 1974 de geruchtmakende nota 'Drenthe Anno' door Provinciale Staten vastgesteld, waarin allerlei doelen voor de ontwikkeling van Drenthe werden vastgesteld op ruimtelijk gebied. Slechts in 3 van de in totaal 100 doelstellingen komt het woord industrie voor.

Het proces van terugloop in de industriële werkgelegenheid zette zich in de jaren '70 door. Was in Emmen de werkloosheid voor mannen in 1970 op een laagte-record gekomen van 3,0 %, in 1972 was dat al weer opgelopen naar 6,0% en in 1975 naar 11,8%. Het probleem was dat het in Drenthe vooral ging om productiebedrijven, filialen van concerns, waarvoor de beslissingen elders buiten de provincie werden genomen. Als eerste kwamen deze filialen in aanmerking voor inkrimping en arbeidsbesparende investeringen. De groei in de werkgelegenheid moest meer en meer komen van de bestaande, merendeels kleinere bedrijven. Met de landbouw ging het intussen redelijk goed, vooral in de veehouderijsector, hoewel de schaalvergroting onverminderd doorging. De melkfabrieken ondergingen een zelfde schaalvergroting. Sinds 1945 waren er in Drenthe 43 fabrieken gesloten. Alleen al in 1977 gingen er 5 dicht, zodat er toen nog 10 in bedrijf waren.

De jaren '70 zagen ook de geboorte van een nieuw type regionaal economisch beleid. De basis daarvoor was gelegd met de 'Nota Noorden des Lands' uit 1972, die de herstructurering van de Veenkoloniën aankondigde, alsmede de verplaatsing van rijks-diensten naar het noorden, een versterkte investeringspremieregeling. Het ging het Intergraal Structuurplan ISP heten, dat in 1979 zijn definitieve vorm kreeg. De problemen werden overschaduwd door de recessie die in 1979 uitbrak. De jaren 1980-1984 waren ook voor Drenthe rampjaren. Het regende faillissementen en de werkloosheid liep op tot 20 % in Drenthe, 3% meer dan het landelijk gemiddelde. In Emmen was zelfs een kwart van de beroepsbevolking werkloos.

Vanaf 1985 ging het weer iets beter met de Drentse economie, de werkgelegenheid trok aan en met name de bouw, het transport en de opslag, het bank- en verzekeringswezen en zakelijke dienstverlening konden tot de groeiers gerekend worden. Eind 1987 was Drenthe dan ook net onder het gemiddelde landelijke werkloosheids-niveau gedoken: 13,9% t.o.v. 14,3%. Als sterke punten van Drenthe werden in 1987 genoemd: een jong en gevarieerd bedrijfsleven, een goede arbeidsmoraal, goede scholingsmogelijkheden, uitstekende bereikbaarheid en een prima leefmilieu. De positieve geluiden moesten in de jaren daarna alweer wat getemperd worden. In 1988 werden de agrarische bedrijvigheid en de dunne bedrijvendichtheid als punten van zorg genoemd. Vooral toen in 1992 de groei stagneerde, werden juist de zwakke punten van Drenthe manifest: de perifere ligging, de beperkte bedrijvendichtheid, het filiaalkarakter en de lage participatiegraad van de bevolking. De periode na 1945 overziende is Drenthe erin geslaagd om een geweldige achterstand op de rest van Nederland in te lopen zodat het de jaren '80 op een gemiddeld landelijk niveau terecht kwam. Wat dat betreft heeft Drenthe het relatief beter gedaan dan Groningen en Friesland.

Geheugen van Drenthe maakt gebruik van Erfgoednet 3.0 een product van Vitec Memorix