Een eertijds veel voorkomende vorm was de derde garve, waarbij de pachter één derde van de garven aan de eigenaar (de 'heerschap') als pacht betaalde. Van schralere gronden werd wel de vierde of vijfde garf als pacht gegeven. In sommige gevallen werd naast de garfpacht ook een bedrag in geld betaald.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw is de garfpacht verdwenen om plaats te maken voor pachtbetalingen in geld. Vroegere auteurs achtten garfpacht een kenmerk van een achterlijke landbouw. Tegenwoordig zien agrarisch-historici garfpacht nadrukkelijk als een functionele aanpassing aan de natuurlijke en economische omstandigheden waaronder men eertijds in de zandstreken verkeerde. Garfpacht gaf het landbouwbedrijf een grote mate van flexibiliteit en een zekere weerstand in perioden die economisch of anderszins ongunstig waren. Kenmerkend is dat pachter en verpachter gelijkelijk deelden in zowel het productierisico als het prijsrisico.