Vanaf het Holoceen een afvoerstroom van de voormalige hoogvenen bij Hoogeveen. De oostwestrichting van de bovenloop zwenkt naar het noordwesten bij de kruising met een flank van de stuwrug bij Nolde.
Het oorspronkelijke stroomgebied dat op de Reest afwaterde, was 25.000 ha groot. Door de sponswerking van de hoogvenen ontving de Reest regelmatig haar water. In de middenstroom kreeg zij kwelwater uit de stuwrug. In de benedenstroom ontbreken de talloze kronkels en bochten. Typerend zijn de grote hoogteverschillen in de bodem van wel 0,8 m - 1 m op korte afstand. De Reest is op te vatten als de zomerbedding van een feitelijk bredere rivier. In de 13e eeuw hadden de Reest en de Sethe (het latere Meppelerdiep) nog een open verbinding met de Zuiderzee. Hoge zeestanden waren in de benedenstroom merkbaar. Ook later bepaalde de waterstand op het Meppelerdiep de kans op inundatie benedenstrooms.
Aan de Drentse kant van de Reest zijn tegenwoordig vele hooi- en weilanden, akkertjes, boerderijen, heiden en bossen eigendom van Het Drentse Landschap. Het is een zeer gevarieerd landschap met hoge essen en lage beekdalgronden, openheid en meer besloten delen. Cultuurhistorisch is het hoevenlandschap met vele karakteristieke boerderijen en landhuizen bijzonder. Buiten de hogere flanken zijn de boerderijen in het beekdal gevestigd op wat hogere zandkoppen. Direct rond de boerderij werd akkerbouw bedreven, waardoor er kleine essen temidden van de lagere graslanden ontstonden.
De Reest is nagenoeg geheel nog in oorspronkelijke staat wat betreft haar meanderende loop. Onder meer door middel van aangepast waterbeheer wordt getracht de natuurwaarden te herstellen en te vergroten. Overigens herbergt het Reestdal nog vele bijzondere planten- en diersoorten. De Dotterbloem komt massaal voor, maar ook zeldzaamheden als Grote pimpernel, Noordse zegge en Moeraskartelblad zijn aanwezig. Voor de Das en de Boomkikker vormt het Reestdal een bolwerk binnen Noord-Nederland. Bij De Stapel heeft Het Drentse Landschap Informatiecentrum 't Ende gevestigd.Â
